Thema 2018 Jacob Cats - KCRMW - Kunst- en Cultuurroute Midden Walcheren

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Thema 2018 Jacob Cats

KCRMW

400 jaar dichter Jacob Cats

Ick had een buytenhuys niet verre van de stadt,
Daer ick en mijn gesin een wijl in stilte sat [...].
Ick schoude stadts gewoel, en koos het eensaem velt,
Want daer was toen ter tijt mijn wesen naer gestelt [...].
Om buyten alle sorg te sitten in het groen,
Oock als ick ledig was genegen iet te doen.
Ick las, ick dicht', ick schreef, ick maeckte zinnebeelden,
Terwijl mijn kleyne jeugt ontrent de boomen speelden.  



[bron: http://emblems.let.uu.nl/c1627_introduction.html?lang=dut#Inhoud van de digitale editie]:

Jacob Cats (1577-1660) was eenenveertig jaar toen hij in 1618 (400 jaar geleden) debuteerde met zijn Silenus Alcibiadis, sive Proteus, later Sinne- en minnebeelden genoemd. Hij woonde te Middelburg, was stadsadvocaat en inmiddels dertien jaar getrouwd. Zijn emblematische werken droegen wezenlijk bij aan de ontwikkeling van de Nederlandse emblemataliteratuur die de aan het begin van de zeventiende eeuw tot grote bloei kwam.

Op zijn Zeeuws buitenverblijf het Munnikenhof te Grijpskerke heeft hij zijn eerste emblematische werken, Silenus en Maeghden-plicht, gemaakt. Wanneer Cats deze buitenplaats, slechts enkele kilometers van Middelburg, in zijn bezit kreeg, is niet met zekerheid vast te stellen. Hij kocht het, evenals zijn woonhuis in Middelburg, van Balthazar de Moucheron. 2 En hoewel hij in zijn 'Voor-reden' zegt dat Silenus voor een deel uit jeugdwerk bestaat: ''teerste deel van dit boecxken meest is geweest het uytworpsel van onse blinde jonckheyt' (r. 41-42), geeft de evidente verwantschap met amoureuze embleembundels die tussen 1608 en 1617 waren verschenen, genoeg reden om deze opmerking te relativeren; als eenenveertigjarige vond hij het kennelijk nodig om bij het publiceren van zoveel amoureuze lyriek verzachtende omstandigheden aan te voeren. 3 Wat niet uitsluit dat er inderdaad jeugdwerk tussen kan zitten. De soms gebrekkig metrische verzen, die Cats in voor de uitgave 1627 zou herschrijven, wijzen duidelijk op een beginnend dichterschap.


De volgende personen figureren als drempeldichter: Daniel Heinsius, Adriaen Hoffer, Johan Arcerius, Joost van Lier, Josuah Sylvester, Anna Roemers Visscher, Jacques Luyt, Samuel de Swaef, Leonard Peutemans en Jacob Hobius. In Silenus van 1618 komen Hoffer en Arcerius nog niet voor.
Wat opvalt is dat velen van hen in Leiden hebben gestudeerd (Heinsius, Hoffer, Van Lier, Luyt, Peutemans), tot de Middelburgse intelligentsia behoren (Luyt was er advocaat, Peutemans dokter en Van Lier en De Swaef onderwijzer), familiebanden hebben (Hoffer en Hobius) of in de directe omgeving wonen of verblijven: in Middelburg naast de zojuist genoemden ook Sylvester, in Zierikzee Hoffer en in Brouwershaven Hobius.

Anna Roemers, die rond 1618 bijzondere achting genoot, is de enige vrouw in het rijtje van de drempelddichters. Cats bood haar het eerste exemplaar aan. Deze talentvolle vrouw kon ongetwijfeld als voorbeeldige lezeres worden beschouwd en de 'jonkvrouwen van Zeeland', voor wie Cats zo'n uitvoerig opdrachtgedicht had geschreven, zullen onder de indruk zijn geweest van Anna's erende verzen.

Onderstaand de eerste strofe [pagina 17] uit het opdrachtgedicht 'Aende Zeeusche ionck-vrouwen' in 'Sinne- en Minnebeelden'.  

AENDE Zeeusche Ionck-vrouwen: GHESCHREVEN Gheduerende den voorleden stil-stant van Wapenen
.

Ghy zeeus en soet geslacht; ghy Venus lantsgenooten,
(Want Venus is wel eer oock uyter zee gesprooten)
Ghy die met Venus hebt het eygen vaderlant,
Het eygen geestich oogh, en minnelick verstant,
Ionc-vrouwen, aerdich volck, die met verholen crachten
Een onbekenden brant ontsteect in ons gedachten,
Die, met u soet gelaet, en lodderlick gesicht,
Een droeve ziel geneest, een treurich hart verlicht;
Aen u comt dit geschenck, een beelt der ganscher eerden,
Dat Venus sone bout, en Venus hout in weerden;
Aen u comt dit geschenck, de gansche werelt-kloot,
Die al haer voetsel raept alleen uit uwen schoot;
Aen u comt dit geschenck; in u leyt doch verborgen
Een ander vaderlant, dat eenmael schier of morgen
Sal toonen sijnen glans hier in het aertsche dal
Als ons het duyster graf gevangen houden sal.
Dit kint, dit wonder kint, comt naer u toe gestreken,
Want 'theeft u (soo het schijnt) wat sonderlinx te spreken;
Het comt u seggen aen, in ronde zeeusche tael,
Al watter omme gaet in Venus gulden sael.


[pagina 29]:
Aen den Hoochgeleerden D. IACOB CATS, Op het Boeck van sijn Konst-rijcke SINNE-BEELDEN.

Van de welcke sijn gunst mijn een vereert heeft.


Ben ick O CATS ! de eerst, die ghy dit Boeck vereert?
Soo sal ick zijn de eerst, die daer uyt wert gheleert
Te sien de feylen die ick in mijn groene jaren
Bedreven heb, die zot, doch nimmer geyl en waren
En styghen hooger op, verjaghen wulpse Min,
En halen in zijn plaets d'eerwaerde Reden in:
Die sal den nevel, door haer glans, wel doen verdwijnen
Van jonge domme Ieucht. Dan sal ick niet het schijnen
Van vele dingen, (daer het meer deel van de Lien
Haer aen vergapen) maer het ware Zijn, eens sien.
Dan sal noch Hoop, noch Vrees, 't gemoet niet meer ontstellen,
Begeert' van Rijckdom, Staet, noch Eersucht, my niet quellen.
Ist niet belachens weert, dat d'arme Mensch soo wroet,
En slobt, en slooft, en sweet, om onnut overvloet?
Ist niet beschreyens weert, dat menich wel sou wagen

Goet, bloet, Ia Ziel, om een dienstbare kroon te dragen?
Dits Redens eerste les: en als ick die wel ken;
Soo salse voorts gaen, en mijn leeren wie ick ben.
Meesterse, doet u best! Maeckt (bid ick) my afkeerich
Van Ondeucht en tot Deucht, heel neerstich en begeerich,
Maeckt dat ick met mijn selfs, en al de Werelt spot,
En stell' voortaen alleen mijn hart, en hoop op God
.  

Anna Roemers.


 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu